De huurbescherming (bescherming van de huurder bij beëindiging van de huur) is vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek. Bij geschillen over huurbescherming is de rechter de enige bevoegde instantie; de Huurcommissie heeft geen taak en bevoegdheid in geschillen over beëindiging van de huur.

De verhuurder mag de huurovereenkomst niet opzeggen als de huurder het niet eens is met een huurverhoging of vanwege een geschil over de bijkomende kosten. Deze bepaling geldt niet voor geliberaliseerde huurcontracten, zie de vierde reden bij vijf redenen om de huurovereenkomst op te zeggen. Het Burgerlijk Wetboek bepaalt op grond van welke opzeggingsgronden de verhuurder de huurovereenkomst wel kan opzeggen. Het huurcontract blijft doorlopen als de verhuurder een huurcontract opzegt aan de hand van een van genoemde opzeggingsgronden en de huurder daarmee niet instemt. De huurder mag dan in de woning blijven wonen. Daarmee maakt hij gebruik van zijn huurbescherming.

De verhuurder kan het huurcontract alleen beëindigen en de woning laten ontruimen als de rechter daartoe besluit. De verhuurder mag een huurder dus nooit zomaar op straat zetten. Op deze regel geldt een uitzondering voor tijdelijke huurcontracten van maximaal twee of vijf jaar.

Hoort bij